direct naar inhoud van Hoofdstuk 6 MILIEUASPECTEN
Plan: Pauwweg 5 Oirlo
Status: ontwerp
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.PRB10018-on01

Hoofdstuk 6 MILIEUASPECTEN

6.1 Natuurbeschermingswet

Op 1 oktober 2005 is de NB-wet 1998 in werking getreden. Op basis van deze wet wijst de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gebieden aan ter uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, ook wel aangeduid als Natura 2000-gebieden.

Op grond van de Nbwet 1998 is een vergunning van gedeputeerde Staten nodig voor de uitvoering van projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het gaat dan in ieder geval om projecten en handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten.

Op 1 februari 2009 is de Wet van 29 december 2008, houdende wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met de regulering van bestaand gebruik en enkele andere zaken (Stb. 2009, 18) in werking getreden.

De gevolgen voor de Natura 2000-gebieden dienen vanaf 1 februari 2009 uitsluitend te worden beoordeeld in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Op 16 maart 2010 is door de Eerste Kamer de Crisis- en herstelwet aangenomen. Deze wet heeft onder meer wijzigingen van de Natuurbeschermingswet 1998 tot gevolg. Deze wijzigingen hebben tot doel dat de regels voor de bescherming van Natura 2000- gebieden en natuurmonumenten beter werkbaar worden in de praktijk. Zonder dat ze afbreuk doen aan de doelstellingen van de Europese richtlijnen en de Natuurbeschermingswet 1998.

Het projectgebied maakt geen deel uit van enig beschermd gebied zoals Natura 2000, Vogelrichtlijngebied, Habitatrichtlijngebied en is niet gelegen binnen de werksfeer van beschermde gebieden. Bovendien heeft de gewenste ontwikkeling geen fysieke gevolgen. Derhalve heeft uitvoering van het project geen gevolgen voor natuurbescherming.

6.2 Flora en fauna

In Nederland is de bescherming van de natuur verankerd in de Natuurbeschermingswet, waarin met name de gebiedsbescherming is geregeld en in de Flora en Faunawet, waarin met name de soortbescherming is geregeld.

Van belang is of binnen of in de buurt van het plangebied beschermde dieren en/of planten aanwezig zijn die niet onder de algemene vrijstelling vallen en welke door onderhavig initiatief aangetast worden.

De beschermde soorten worden als volgt onderscheiden:

  • de rode lijst-soorten
  • niet bedreigde maar wel minder algemeen voorkomende soorten
  • algemeen voorkomende soorten

Als soorten uit de eerste categorie door het project schade zullen leiden, is het de vraag of het project wel doorgang kan vinden. Bij soorten uit de tweede categorie zal in ieder geval aangetoond moeten worden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Pas dan zal ontheffing verkregen kunnen worden.

Voor de soorten uit de derde categorie geldt een algemene vrijstelling, waarbij de algemene zorgplicht uit de Flora- en Faunawet centraal staat.

Natuurloket

Voor de verkenning van de omgeving ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing is gebruik gemaakt van de gegevens afkomstig van het Natuurloket. In het kilometervak waarin de beoogde locatie gelegen is (199-391) wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van vaatplanten en zoogdieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0005.png"

Om een beeld te krijgen wat daadwerkelijk op de locatie voorkomt, is op de site van de Provincie Limburg de interactieve kaart met natuurgegevens (broed)vogels en beschermde planten geraadpleegd.

Gegevens broedvogels

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0006.png"

Ter hoogte van de planlocatie zijn géén beschermde broedvogels waargenomen. In de omgeving zijn diverse vogels waargenomen in het verleden. De realisatie van onderhavig plan vormt geen belemmering voor het broedsucces van deze soorten waardoor het project doorgang kan vinden.

Gegevens beschermde planten

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0007.png"

Ter hoogte van de planlocatie zijn géén beschermde plantensoorten waargenomen.

Derhalve zal het project gerealiseerd kunnen worden.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat geen soorten welke in het kader van de Flora- en faunawet bescherming behoeven aanwezig zijn op het plangebied. De huidige flora en fauna wordt derhalve niet verstoord door de geplande ontwikkeling. Artikel 2 van de Flora- en faunawet schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna achterwege moeten blijven. De Flora- en faunawet die zich richt op soortenbescherming kent geen compensatieplicht. Op grond van artikel 2 moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. De voorgenomen ontwikkeling zal geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van aanwezige planten- en diersoorten

6.3 Waterhuishouding

Hieronder wordt beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De ontwikkelingen aan de Pauwweg 5 hebben niet in betekenende mate invloed op de waterkundige situatie in het plangebied. De locatie is gelegen in een volgens het Waterschap Peel- en Maasvallei ‘intermediair’ gebied en niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Het afvalwater zal met voorgestane ontwikkeling nauwelijks toenemen. De extra woning (binnen bestaande bebouwing) zal aansluiten op de bestaande gemeentelijke riolering. Het afvalwater zal hierop worden afgevoerd.

Omdat de ontwikkelingen plaats hebben binnen de grenzen van de bestaande bebouwing zal deze niet leiden tot een toename van de verharde oppervlakte. Zodoende zal de hemelwaterafvoer niet toenemen. Bovendien zal de hemelwaterafvoer separaat plaatsvinden van het afvalwater.

Het hemelwater zal infiltreren op eigen gronden en binnen het plangebied volgens onderstaande berekening conform de watertoets.

Watertoets

Binnen het projectgebied vindt geen toename van het afvoerend verhard oppervlak plaats. Desondanks wordt het hemelwater, afkomstig van het af te splitsen woongedeelte, geinfiltreerd binnen het plangebied. Het gaat hierbij om een oppervlakte van ca 300 m2 (incl verharding).

De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is >= 180 cm beneden het maaiveld en de gemiddeld hoogste grondwaterstand is >= 140 cm beneden het maaiveld. afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0008.png"

De K-waarde geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan van de bodem in een bepaald gebied. In onderhavige situatie heeft de bodem een K-waarde van 0,45 – 0,75 m/dag. De onderhavige gronden zijn derhalve meer dan gemiddeld geschikt voor infiltratie van hemelwater mits de grondwaterstand voldoende laag is (> 1,0 meter). In onderhavige situatie is de grondwaterstand voldoende laag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0009.png"

Het plangebied is derhalve geschikt om het overtollige hemelwater te infiltreren in de bodem. Uit onderstaande figuur blijkt dat binnen het perceel de grond in noordwestelijke richting enigszins afhellend is. Dat betekent dat een natuurlijke infiltratie verwezenlijkt kan worden waarbij het gebied ten noordwesten als infiltratiegebied aangeduid kan worden. De oppervlakte van dit infiltratiegebied bedraagt ruim 2000 m2. Het hoogteverschil bedraagt slechts 10-20 centimeter. De infiltratiecapaciteit bedraagt 2000 m2 x 0,15 m = 300 m3

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0010.png"

De oppervlakte van bebouwing + verharding waarvan het hemelwater geinfiltreerd dient te worden bedraagt ca 300 m2. Bij de berekening wordt uitgegaan van relevante regenbuien, eens per 10 en eens per 100 jaar.

Regenval bij T = 10

300 x 50 mm = 15 m3 hemelwater

Regenval bij T = 100

300 x 84 mm = 25,2 m3 hemelwater

De totaal aan te voeren neerslaghoeveelheid betreft 25,2 m3. De infiltratievoorziening heeft een capaciteit van 300 m3. Het totale bergingsvolume bedraagt 0,75 m/dag x 300 m3= 225 m3/dag. De ledigingstijd bij een opslagvoorziening van 225 m3 en een instromende hoeveelheid van 25,2 m3 bedraagt ca 2,5 uur. Deze tijd is ruim acceptabel. Omdat het plangebied kleiner dan 2000 m2 bedraagt en het plangebied niet is gelegen in een aandachtsgebied hoeft voor onderhavige situatie geen wateradvies bij Waterschap Peel- en Maasvallei aangevraagd te worden en is het aspect ‘water’ geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

6.4 Geluid

Door adviesburo van der Boom is een akoestisch rapport (bijlage 2) opgesteld naar de geluidbelasting door wegverkeer op de woning aan de Pauwweg 5 te Oirlo. De woning isgelegen buiten de bebouwde kom van Oirlo binnen de geluidzone van de Pauwweg en de zandweg. De woning ligt op ca 21 meter uit de as van de Pauwweg en op een afstand van 82 meter uit de as van de Zandweg. De geluidbelasting is berekend met behulp van een rekenmodel op basis van de weg- en verkeersgegevens zoals aangeleverd door de gemeente Venray. De geluidbelasting bedraagt 33 dB na aftrek ten gevolge van wegverkeer op de Pauwweg en 35 dB na aftrek ten gevolge van wegverkeer op de Zandweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op de woningen niet overschreden. Voor de woningen hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. Ook zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen niet nodig.

6.5 Geurcontouren

Met het project zijn geen problemen met betrekking tot geurhinder te verwachten. Debestemming tot burgerwoning leidt niet tot geuroverlast. De woningen ondervinden geen last van omliggende geurproducerende bedrijven. Ze liggen niet binnen de stankcirkel (geurcontouren) van in de buurt aanwezige intensieve veehouderijbedrijven.

Daarnaast dient de omgekeerde werking beoordeeld te worden. Bekeken moet worden of de bestemming tot burgerwoningen nadelige gevolgen voor omringende bedrijven veroorzaakt. In de directe omgeving van de woningbouwlocatie liggen géén bedrijven welke belemmerd worden door de realisatie van de woningen. Bedrijven in de omgeving liggen op een dermate grote afstand dat de bedrijven niet geremd worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden door onderhavig initiatief. Bovendien zijn tussen de projectlocatie en deze bedrijven reeds andere burgerwoningen gesitueerd.

6.6 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit is gekeken naar de verwachte concentraties in 2010 voor fijnstof en NO2. Volgens de luchtkwaliteitskaart Limburg is de concentratie aan fijnstof maximaal 26 microgram per m3. Dit blijft beneden de grenswaarde in 2010 van 30 microgram per m3. Volgens dezelfde luchtkwaliteitskaart bedraagt de concentratie aan NO2 maximaal 19 microgram per m3, terwijl de grenswaarde voor 2010 30microgram per m3 bedraagt. De luchtkwaliteit is dan ook geen belemmering voor de bestemming ‘burgerwoning’ op onderhavige locaties.

Daarnaast is beoordeeld of het project een significante bijdrage gaat leveren aan de luchtvervuiling. Op basis van artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ is een ministeriële regeling van kracht geworden (‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’). In deze regeling wordt voor woningbouwlocaties de concrete omvang benoemd waarmee aan het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ wordt voldaan. Woningbouwlocaties voldoen aan het besluit indien via één ontsluitingsweg niet meer dan 500 nieuwe woningen worden ontsloten of maximaal 1000 nieuwe woningen via twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het onderhavige project voorziet in de bestemming van 2 burgerwoningen. Om die reden is het plan als niet significant aan te merken voor de lokale luchtkwaliteit. Het project is daarmee niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer.

6.7 Externe veiligheid

De woningen behoren niet tot de doelgroep risicoveroorzakende bedrijven en/of transportassen. Wel worden er kwetsbare objecten of bestemmingen gerealiseerd door het h ergebruik van de bestaande bebouwing tot burgerwoning. Volgens onderstaande kaart (risicokaart Nederland) bevinden zich in de nabijheid geen bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Tevens worden geen activiteiten ontplooid met een risicocontour in de omgeving van het plangebied. Tenslotte zijn er geen gevaarlijke transportroutes en/of buisleidingen (zoals benoemd in Bevi) aanwezig welke een belemmering vormen voor de doorgang van het initiatief. Derhalve is het opstellen van een veiligheidsparagraaf niet van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0984.PRB10018-on01_0011.png"

Risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/)

6.8 Bodem

Vrijwel alle gebruiksvormen kennen in meerdere of mindere mate interactie met de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke onderbouwing is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Daarmee is het aspect bodemkwaliteit ook van invloed op de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging.

Slechts bij hoge uitzondering kan de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit achterwege blijven. Onderhavige situatie betreft een uitzonderingssituatie. Uitzondering waarbij aspect bodemkwaliteit achterwege kan blijven:

  • Bij het wijzigen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde. In onderhavige situatie heeft de wijziging van gebruik enkel betrekking op de aard van de activiteit die binnen de gebouwen plaatsvindt, waarbij die wijziging niet relevant is voor het aspect bodemkwaliteit.

In onderhavige situatie is sprake van een gebruikswijziging waarbij het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde is. Ingevolge het bepaalde in artikel 8 lid 2 sub c van de Woningwet, is het verboden om bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, waarvoor een reguliere bouwvergunning vereist is en die de grond raken dan wel

waarvan het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd, te bouwen op verontreinigde grond. Teneinde de kwaliteit van de bodem zeker te stellen dient in zo’n geval een onderzoeksrapport naar de kwaliteit van bodem en grondwater overlegd te worden. De nieuwe woning zal echter gerealiseerd worden binnen de bestaande bebouwing. In het gedeelte van de langgevelboerderij waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd, hebben in het verleden nooit activiteiten of opslag van goederen plaatsgevonden waardoor de bodem onder de nu reeds aanwezige vloer verontreinigd zou kunnen zijn. Gelet op dit gebruik is een bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming niet aan de orde en is de bodem geschikt voor de voorgenomen woningsplitsing.

Ten behoeve van de functiewijziging dient op basis van de Wro een historisch bodemonderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek als bijlage 3 toegevoegd.