direct naar inhoud van Artikel 11 Wonen
Plan: Blitterswijck
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.BP11025-ON01

Artikel 11 Wonen

11.1 Bestemmingsomschrijving
11.1.1 Algemeen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bos', het wonen in een bosachtige omgeving;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', tevens voor detailhandel op de begane grond van het gebouw;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' een nutsvoorziening;
  • e. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - gemeentelijk monument';

met daaraan ondergeschikt:

  • f. beroepen aan huis, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.5.2;

en de daarbij behorende:

  • g. parkeervoorzieningen op eigen terrein;
  • h. tuinen en erven;
  • i. doeleinden van openbaar nut;
  • j. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • k. overige bij de bestemming passende doeleinden.
11.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 25.3.

11.2 Bouwregels
11.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwen is ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – gemeentelijk monument’ niet toegestaan. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning af te wijken van deze bepaling, met toepassing van de voorwaarden in artikel 11.3.1.
  • b. gebouwen;
  • c. de daarbij behorende bijgebouwen, met uitzondering van gestapelde woningen;
  • d. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. ongeacht het bepaalde in artikel 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 dient tenminste 50% van het achtererf onbebouwd en onoverdekt te blijven.
11.2.2 Regels voor hoofdgebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdmassa's van hoofdgebouwen mogen uitsluitende binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', het aangeduide aantal woningen/wooneenheden is toegestaan;
  • c. het splitsen van woningen is verboden, met uitzondering van het bepaalde onder d;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' is het splitsen van een vrijstaande woning ten behoeve van 2 halfvrijstaande woningen toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', mogen enkel vrijstaande woningen worden gerealiseerd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen', mogen enkel halfvrijstaande woningen worden gerealiseerd;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd', mogen enkel aan elkaar gebouwde woningen worden gerealiseerd;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', mogen enkel gestapelde woningen worden gerealiseerd;
  • i. de goothoogte bedraagt maximaal 6 meter met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' waar de op de verbeelding aangegeven maximale goothoogte geldt;
  • j. elke woning dient te worden afgedekt met een kap, waarvan de dakhelling ten minste 30o en ten hoogste 65o bedraagt;
  • k. de voorgevel van het hoofdgebouw moet ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' worden gebouwd of op maximaal 3 meter erachter;
  • l. de voorgevelbreedte per woning, gestapelde woningen uitgezonderd, mag maximaal 12 meter bedragen;
  • m. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
    • 1. bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden;
    • 2. bij twee-aan-eengebouwde woningen minimaal 3 meter aan één zijde;
    • 3. bij eindwoningen van aaneengebouwde woningen minimaal 2 meter aan één zijde.
11.2.3 Algemene regels voor bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. voor het bouwen van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd' gelden de volgende bepalingen:
    • 1. bijgebouwen mogen uitsluitend op het achtererf worden gebouwd, met dien verstande dat aan één zijde minimaal 7 meter aan opstelruimte vrij blijft;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' dient één zijerf vrij te zijn van bijgebouwen;
    • 3. tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijgebouw(en) worden gebouw over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4 meter. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder 4;
    • 4. bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m2. De oppervlakte van carports blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing;
    • 5. de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder 4 mag worden verhoogd tot maximaal 70 m2, mits het achtererf, ook na de bouw van bijgebouwen als bedoeld onder 3 en carports, voor niet meer dan 40% wordt bebouwd;
    • 6. de goothoogte van bijgebouwen mag niet hoger zijn dan:
      • Voor aangebouwde bijgebouwen: 0,3 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of –als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw met een maximum van 3 meter;
      • Voor vrijstaande bijgebouwen 3 meter.
    • 7. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
  • b. in afwijking van het bepaalde in lid a onder 1 mogen worden gebouwd:
    • 1. bijgebouwen in hoeksituaties op het naar openbaar gebied gekeerde zijerf, met dien verstande dat:
      • de totale bebouwde oppervlakte maximaal 30 m2 mag bedragen;
      • slechts aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan, met een breedte van maximaal 4 meter;
    • 2. carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat:
      • de oppervlakte maximaal 20 m2 mag bedragen;
      • de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
      • de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd;
    • 3. ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat:
      • de diepte maximaal 1 meter bedraagt;
      • de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
      • de hoogte maximaal 3 meter bedraagt.
11.2.4 Regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de gevellijn maximaal 1 meter mag bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen aan de zijgevel bij hoekwoningen voor de gevellijn maximaal 2 meter bedragen, mits:
    • 1. de afstand tot de bestemming 'Verkeer' minimaal 0,5 meter bedraagt;
    • 2. de afstand tot de voorgevel minimaal 3 meter bedraagt;
    • 3. het verkeersbelang niet onevenredig aangetast wordt.
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter.
11.3 Afwijken van de bouwregels
11.3.1 Monument

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11.2.1 onder a. voor het bouwen ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – gemeentelijk monument’, onder de voorwaarden dat:

  • a. geen wezenlijke verandering wordt aangebracht aan de karakteristieke bebouwing;
  • b. het bouwen het stedenbouwkundige beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse niet aantast;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de gronden niet worden beperkt.
11.3.2 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in:

  • a. artikel 11.2.2 onder a voor het bouwen van het hoodgebouw buiten het bouwvlak indien de overschrijding niet meer bedraagt dan 4 meter;
  • b. artikel 11.2.2 onder i voor het overschrijden van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'maximale goothoogte' tot ten hoogste 6 meter;
  • c. artikel 11.2.2 onder j voor een afwijkende dakvorm dan wel voor een kap met een afwijkende dakhelling;
  • d. artikel 11.2.2 onder l voor het verhogen van de maximale toegestane breedte van het hoofdgebouw;

Onder de voorwaarden dat:

  • e. de belangen van de eigenaren en / of gebruikers van de nabij gelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • f. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
11.4 Nadere eisen

Ten aanzien van het bepaalde in artikel 11.2 zijn Burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • b. de situering en afmetingen van de bouwpercelen, mits deze eisen blijven binnen de in het plan neergelegde begrenzingen en indien zulks noodzakelijk is in verband met:
    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. het verkeers-, sociale en brandveiligheid;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. de gebruiksmogelijkheden in aangrenzende bestemmingen.
11.5 Specifieke gebruiksregels
11.5.1 Verboden gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  • b. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van detailhandel als bedoeld in artikel 11.1.1 onder c;
  • c. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis als bedoeld in artikel 11.1.1 onder f;
  • d. zelfstandige bewoning voor zover het vrijstaande vrijstaande bijgebouwen betreft;
  • e. mantelzorg;
  • f. woningsplitsing;
  • g. gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit;
  • h. aan huis verbonden bedrijven;
  • i. recreatief (mede)gebruik.
11.5.2 Beroepen aan huis

Een beroep aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. een beroep aan huis mag worden uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
  • b. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet aangetast;
  • c. maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen, tot een maximum van 40 m2 mag als zodanig worden gebruikt;
  • d. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens de bewoner van de woning;
  • e. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • f. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein;
  • g. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis.
11.6 Afwijken van de gebruiksregels
11.6.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een bedrijf aan huis

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 11.5.1 onder h ten behoeve van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat de voorwaarden zoals genoemd in artikel 11.5.2 onder a tot en met g in acht worden genomen.

11.6.2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg

Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 11.5.1 onder e een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van bewoning van een gedeelte van een woning, of een aan- uit- of (vrijstaand) bijgebouw bij een woning in het kader van mantelzorg, met dien verstande dat:

  • a. er sprake moet zijn van een mantelzorgindicatie;
  • b. het ten behoeve van mantelzorg ingerichte vloeroppervlakte maximaal 70 m² bedraagt, met dien verstande dat maximaal 40% van het achtererf wordt bebouwd;
  • c. de voorziening stedenbouwkundig aanvaardbaar moet zijn;
  • d. er sprake moet zijn van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • e. de ter plaatse aanwezige ecologische en cultuurhistorische waarden mogen niet worden geschaad;
  • f. het gebruik voor zelfstandige bewoning stopt wanneer geen sprake meer is van de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande behoefte aan mantelzorg.
11.6.3 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een bed & breakfast

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een aanvraag omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11.5.1 onder i van de planregels en kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een bed & breakfast toestaan onder de voorwaarden dat:

  • a. de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
  • b. de voorzieningen in hun totaliteit niet groter zijn dan 100 m²;
  • c. het woonmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
  • d. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • e. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving niet onevenredig worden benadeeld;
  • f. detailhandel slechts plaatsvindt voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met de verblijfsrecreatieve voorziening.
11.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Wonen' met de aanduiding 'bos' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • c. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • d. het verwijderen van natuur- en landschapselementen;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders;
  • g. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben;
  • h. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, olie of gas.
11.7.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het bepaalde in artikel 11.7.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van de normale bodemexploitatie en het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn krachtens een verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of andere toestemming, dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing of andere toestemming kunnen worden uitgevoerd.
11.7.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 11.1.1 onder b genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

11.8 Wijzigingsbevoegdheid
11.8.1 Wijziging in de bestemming Maatschappelijk

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming 'Maatschappelijk' onder de voorwaarden dat:

  • a. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • b. indien voor de wijziging noodzakelijk, uit onderzoek blijkt dat bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en agrarische bedrijven niet wordt belemmerd;
  • c. indien gelet op de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' 'Waarde - Archeologie 4' of 'Waarde - Archeologie 5' noodzakelijk, uit onderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden in het geding zijn en indien zulks wel het geval is, hoe deze waarden dan kunnen worden behouden;
  • d. de ontwikkeling vanuit planologisch/stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving;
  • e. de parkeerbalans niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed.
11.8.2 Wijziging of vergroting van het bouwvlak

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen door het verschuiven of vergroten van het bouwvlak binnen de bestemming onder de voorwaarden dat:

  • a. het op de verbeelding aangegeven bouwvlak met maximaal 10% mag worden vergroot;
  • b. dit niet leidt tot een verhoging of splitsing van het aantal woningen;
  • c. dit vanuit een planologisch/stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving;
  • d. de maximale goothoogte in acht wordt genomen.
11.8.3 Wijziging ten behoeve van bouw woning

Ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' kunnen Burgemeester en Wethouders de bestemming wijzigen voor de bouw van één woning per gebiedsaanduiding, onder de voorwaarden dat:

  • a. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  • b. indien voor de wijziging noodzakelijk, uit onderzoek blijkt dat de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en agrarische bedrijven niet wordt belemmerd;
  • c. indien gelet op de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', Waarde - Archeologie 3, 'Waarde - Archeologie 4' of 'Waarde - Archeologie 5' noodzakelijk, uit onderzoek blijkt dat ter plaatse geen archeologische waarden in het geding zijn en indien zulks wel het geval is, hoe deze waarden dan kunnen worden behouden;
  • d. de ontwikkeling vanuit planologisch/stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving;
  • e. de parkeerbalans niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed;
  • f. de wijziging voorts alleen mogelijk is indien de toename in woningen past binnen de regionale afspraken over verdeling van woningbouw;
  • g. voorts sprake is van een goede ruimtelijke ordening;
  • h. ter plaatse van de woningbouwlocatie de planregels ten aanzien van de bestemming Artikel 11 Wonen gaan gelden.