direct naar inhoud van 4.1 Bodem en water
Plan: Circuit De Peel
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.BP11006-on01

4.1 Bodem en water

4.1.1 Bodem

Het plangebied ligt op ca. 30 m +NAP op een voormalige dekzandrug. Even ten noorden van het huidige circuit sluit het aan op een stuifzandgebied. Een restant van oude maasduinen. De bodem heeft een geroerd profiel en bestaat uit zwak lemig en leemarm fijn zand. Daaronder ligt een slecht doorlatende deklaag bestaande uit de Formatie van Twente. Dit zijn fijne fluvioglaciale afzettingen, ofwel fijne slib houdende zanden.

Het bureau Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Venray een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Bakelsedijk Zuid (zie Aanvulling MER 2011, bijlage 11). Dit onderzoek heeft plaatsgevonden voor het gedeelte van het plangebied dat tot circuitterrein bestemd is.

Op de onderzoekslocatie zijn, met uitzondering van het aanwezige zandpad, geen mogelijk bronnen voor een grond- en of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op het zandpad is de bovengrond een zeer lichte verontreiniging met koper en minerale olie aangetroffen. Er bestaat echter geen reden voor een nader onderzoek. Er bestaan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de realisatie van het circuit op de onderzoekslocatie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Bestemming natuur

Het bureau Econsultancy heeft ook het terrein van het voormalige circuit ten noorden van de Bakelsedijk bodemkundig verkend. Het oude circuit is tot natuurgebied bestemd (zie Plankaart, bestemmingsplan Circuit de Peel 2011). Hieruit zijn de volgende conclusies getrokken:

  • Ter plaatse van het huidige circuitterrein zijn plaatselijk tot 1,0 m –mv zintuiglijke verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK, EOX en minerale olie. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is plaatselijk licht tot sterk verontreinigd met nikkel, licht tot matig verontreinigd met chroom, koper, cadmium en benzeen.
  • Ter plaatse van de wegen rondom het bestaande circuit is zintuiglijk waargenomen dat de bovengrond puinhoudend is. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zink en minerale olie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium, nikkel en zink.
  • Ter plaatse van de bovengrondse opslag afgewerkte olie zijn er in het opgeboorde materiaal zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd met minerale olie of aromaten. Het grondwater is licht verontreinigd met chroom en koper.

De algemene conclusie is: voor alle onderzochte locaties geldt, gelet op aard en mate van verontreiniging, géén reden voor een nader onderzoek. Er bestaan géén milieuhygiënische belemmeringen voor natuurontwikkeling ter plekke van het voormalige circuit.

4.1.2 Water

Grondwater

Het grondwater in het gebied bevindt zich op 26,5 – 27,0 m +NAP (ca. 3 m beneden maaiveld) en is geklasseerd als grondwatertrap VI en VII (GHG respectievelijk 0,40 – 0,80 m beneden maaiveld en GLG > 1,20 beneden maaiveld).

Het watervoerende pakket is geclassificeerd als de Zanden van Venlo en de Formatie van Veghel. Dit pakket is grindhoudend met af en toe een onderbreking van matig grof tot matig fijn zand. De top van het watervoerend pakket zit op ca 26 m +NAP, de basis van het watervoerend pakket zit op ca. 10m -NAP. Het grondwater in dit pakket stroomt af in noordoostelijk richting.

Het regionale grondwater is licht verontreinigd met zware metalen. De oorzaak hiervan hangt samen met de uitspoeling van deze stoffen uit het bodemmateriaal vooral onder invloed van zure regen. De zware metalen komen deels van nature voor maar worden ook in de bodem gebracht via landbouwbemesting. Daarnaast wordt hun aanwezigheid ook veroorzaakt door diffuse verontreiniging bijvoorbeeld als gevolg van industriële activiteiten.

Oppervlaktewater

Op de grens van het plangebied met de luchtmachtbasis ligt een waterloop die alleen in natte neerslagrijke periodes waterhoudend is. Net ten zuiden van het plangebied liggen enkele poelen die een belangrijke betekenis voor natuurbehoud hebben.

4.1.3 Ecologie
4.1.4 Beleid, wet- en regelgeving

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet beschermt een groot aantal inheemse plant- en diersoorten. De verstoring van (vaste rust- en verblijfplaatsen van) deze soorten is in beginsel verboden. Er kan een ontheffing van zulke verboden worden gegeven wanneer de gunstige staat van instandhouding van de soort(en) niet in gevaar komt.

Voor algemene soorten is voor ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van deze ontheffingsplicht van kracht. De zorgplicht uit de wet blijft voor deze soorten wel van kracht: bij werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat schade toegebracht wordt aan beschermde soorten.

Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet)

In de Natuurbeschermingswet is de bescherming van specifieke gebieden geregeld. De bepalingen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. De volgende gebieden zijn aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet:

  • Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Natura 2000

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen (Göteborg, 2003). Een belangrijk instrument hiervoor is de uitvoering van de (gebiedsgerichte) onderdelen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De richtlijnen verplichten daarbij het aanwijzen van Natura 2000-gebieden zodat een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden van Europees belang kan worden gerealiseerd: het Natura 2000- netwerk.

Dit netwerk heeft als hoofddoelstelling het waarborgen van de biodiversiteit in Europa. Nederland draagt met 162 gebieden bij aan het Natura 2000-netwerk. Het Nederlandse Natura 2000-netwerk heeft een totale omvang van circa één miljoen hectare (waarvan twee derde open water, inclusief de kustwateren).

Inmiddels zijn de meeste van deze gebieden in procedure gebracht voor de definitieve aanwijzing. En ook is voor het merendeel een concept beheerplan opgesteld. De definitieve invulling hiervan vindt plaats nadat een akkoord is bereikt over de Programmatische Aanpak Stikstof (voorzien in 2011).

Voor Natura 2000-gebieden geldt het voorzorgsbeginsel: wanneer van een initiatief niet kan worden uitgesloten dat er significant negatieve effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, moet een passende beoordeling worden opgesteld. Het bevoegde gezag inzake de Natuurbeschermingswet, zijnde de provincie beoordeelt vervolgens of voldaan is aan de vereisten die de richtlijn stelt. Om na te kunnen gaan of de stikstofemissie van Circuit de Peel van invloed is op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling uitgevoerd (zie Aanvulling MER 2011, bijlage 6).

EHS

Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt de Ecologische Hoofdstructuur ( EHS) van Nederland.

Bij de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) werken verschillende overheden samen. Het Rijk heeft in 1995 in grote lijnen de grenzen van de EHS vastgesteld in het Structuurschema Groene Ruimte en deze grotendeels netto begrensd weergegeven in de Nota Ruimte in 2004. De provincies bepalen om welke gebieden het precies gaat. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de ecologische hoofdstructuur is geregeld in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (actualisatie januari 2011).

In zijn algemeenheid is het ruimtelijke beleid voor de EHS-gebieden gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het zogenoemde 'nee, tenzij'-regime.

Binnen de gebieden waar het 'nee, tenzij'-regime van kracht is, zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang.

4.1.5 Onderzoek

In het MER van 2007 is uitgebreid aandacht besteed aan de gevolgen van geluidhinder voor de kwaliteit van de aanwezige natuurgebieden en de betekenis daarvan voor de fauna. Na toetsing door de Commissie m.e.r. zijn hier nog enkele beschouwingen aan toegevoegd (zie Aanvulling MER 2007). De nu voorgestelde activiteitenmatrix zorgt voor marginale verschuivingen in de beschouwde geluidcontouren. De consequenties daarvan worden hierna toegelicht (zie hoofdstuk 5).

Het plangebied wordt omgeven door verschillende natuurgebieden. Ten noorden, oosten en zuiden van het circuit ligt het Vredepeelbos dat onderdeel is van de EHS. Op een afstand van circa 2 a 3 kilometer liggen het staatsnatuurmonument de Rouwkuilen en het gebied De Bult, onderdeel van het Natura2000 gebied Deurnsche Peel – Mariapeel. De kwaliteit van al deze gebieden is toegelicht in het MER van 2007.

In het MER van 2007 is geen aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen van de stikstofemissie op de instandhoudingdoelen van het Natura2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Voor dit doel is een Passende Beoordeling uitgevoerd (zie Aanvulling MER 2011, bijlage 6).

Flora- en fauna in het plangebied

In 2007 is een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige flora en fauna, zowel voor het plangebied als voor de directe omgeving daarvan (Groen-planning 2007).

Soortenbescherming en geluid (EHS)

Onderzoek heeft aangetoond dat geluid een verstorend effect kan hebben op het broedsucces van vogels (Reijnen et al., 1992, 1995, 1996, 1997, Foppen et al., 2002) De effecten van geluid op vogels variëren per soort. Solitair levende vogels zijn minder gevoelig dan vogels die in een groep leven. Bij een zich herhalend geluid treedt voor meerdere soorten gewenning op (een foeragerende buizerd nabij de snelweg). Over het algemeen echter leidt een toename in geluidhinder tot een verandering in de verspreiding van de avifauna waarbij de verschillende soorten in hun rust- en/of in hun foerageergebied worden getroffen.

Om het verstorende effect op broedvogels te kwantificeren wordt uitgegaan van het effect voor alle soorten gezamenlijk (Reijnen et al., 1997). Deze informatie is alleen beschikbaar voor bos en open weidegebied. Voor open weide is de drempelwaarde 47 dB(A) en voor bos 42 dB(A) waarbij sprake is van een dichtheidsafname van de broedvogelaantallen.

Stikstofgevoeligheid Natura 2000 gebieden

Het gebruik van Circuit de Peel en de verkeersbewegingen die daardoor worden gegenereerd zijn van invloed op de stikstofconcentratie in de lucht. Deze verhoogde concentratie leidt tot een toename in de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden zoals het natuurgebied De Bult, onderdeel van het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel en De Boschhuizerbergen. In deze gebieden liggen enkele zeer gevoelige Habitattypen zoals actieve en herstellende hoogvenen en zure vennen. Deze habitattypen hebben een kritische depositiewaarde van circa 400 mol/ha/jaar (zie tabel 4.1).

Tabel 4.1. De gevoeligheid van de aanwezige Natura 2000-gebieden voor stikstofdepositie.

Natura 2000-gebied   Meest gevoelige habitattype   Kritische depositiewaarde
(mol/ha/jr)  
Deurnsche Peel & Mariapeel: deelgebied De Bult   Herstellende hoogvenen   400  
Deurnsche Peel & Mariapeel: kerngebied   Actieve & Herstellende hoogvenen   400  
Boschhuizerbergen   Zwakgebufferde vennen   410  
Maasduinen   Zwakgebufferde & Zure vennen   410