direct naar inhoud van Artikel 4 Wonen
Plan: Horsterweg 70b Castenray
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.BP09022-on01

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;

met daaraan ondergeschikt;

  • b. aan huis verbonden beroepen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.5.2;

en de daarbij behorende:

  • c. tuinen en erven;
  • d. doeleinden van openbaar nut;
  • e. overige voorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. vrijstaande woningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. de daarbij behorende bijgebouwen;
  • c. de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.
4.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' moet het hoofdgebouw en mogen bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht;
  • b. per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan;
  • c. de inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 800 m³;
  • d. woningsplitsing is niet toegestaan;
  • e. de voorgevel van de woning wordt in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens gebouwd;
  • f. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven;
  • g. het hoofdgebouw dient te worden voorzien van een kap met een dakhelling van minimaal 30° en ten hoogste 65°.
4.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen
  • a. Ongeacht de overige bepalingen in dit sublid dient tenminste 50% van het achtererf onbebouwd en onoverdekt te blijven. Voor het bouwen van bijgebouwen tegen de achtergevel gelden de volgende bepalingen:
    • 1. bouwwerken mogen tegen de achtergevel van het hoofdgebouw worden gebouwd over de volle breedte van het hoofdgebouw en met een diepte tot 4 meter;
    • 2. de goothoogte van het bijgebouw mag maximaal 3,00 m bedragen tenzij deze aan een woning met meerdere bouwlagen wordt gebouwd; in dat geval mag de goothoogte niet hoger zijn dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van die woning.
  • b. de situering van bijgebouwen is alleen toegestaan op het zij- en achtererf met uitzondering van de aan- en uitbouwen als bedoeld in 4.2.5 en 4.2.6;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag maximaal 50 m2 bedragen. Bij de berekening van deze oppervlakte blijft de oppervlakte van de toegestane aanbouw als bedoeld in lid 2 buiten beschouwing;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b. mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen meer dan 50 m2 bedragen mits het achtererf– ook na het realiseren van een bijgebouw als bedoeld in lid 2 voor niet meer dan 40% wordt bebouwd met een maximum oppervlakte van 70 m2;
  • e. bij een vrijstaande woning dient één zijerf onbebouwd en onoverdekt te blijven, met uitzondering van het bepaalde in 4.2.5 of 4.2.6;
  • f. de goothoogte mag niet meer dan 3 m. bedragen, tenzij het bijgebouw aan een woning met meerdere bouwlagen wordt aangebouwd. In dat geval mag de goothoogte niet hoger zijn dan 0.25 m. boven de vloer van de eerste verdieping van die woning;
  • g. de nokhoogte mag niet meer bedragen dan 4.50 m.;
  • h. de dakhelling van een eventuele kap mag niet meer bedragen dan 45°; overigens dient deze aangekapt dan wel in de vorm van een zadeldak gerealiseerd te worden;
  • i. het bepaalde onder g. en h. is niet van toepassing indien het hoofdgebouw met een plat dak is uitgevoerd. In dat geval dienen de bijgebouwen eveneens met plat dak te worden uitgevoerd en mag de hoogte niet meer bedragen dan 3 m., tenzij het bijgebouw aan een woning met meerdere bouwlagen wordt aangebouwd. In dat geval mag de hoogte niet hoger zijn dan 0,25 m. boven de vloer van de eerste verdieping van die woning;
  • j. in afwijking van het bepaalde onder h. mag een serre of een transparante overkapping met een hellend dak of plat dak worden uitgevoerd, mits de maximum hoogte niet meer bedraagt dan 3 m. en de minimum hoogte niet minder bedraagt dan 2.20 m.;
  • k. bij een garage dient aan de voorzijde een opstelruimte van minimaal 5 m. op eigen terrein in acht te worden genomen;
  • l. de voorgevel van een bijgebouw dient minimaal 2.50 m. ten opzichte van de voorgevellijn van de hoofdbebouwing terug te liggen met uitzondering van aan- en/of uitbouwen als bedoeld in 4.2.5 en 4.2.6.
4.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal 3,00 meter bedragen, met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens mag maximaal 2,00 meter mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van voorzieningen voor de openbare verlichting maximaal 8,00 meter mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van antennes en antennemasten maximaal 12,00 meter mag bedragen.
4.2.5 Carports

In afwijking van het bepaalde in artikel 4.2.3 en 4.2.4 mogen carports uitsluitend worden opgericht als deze voldoen aan de volgende bepalingen:

  • a. carports worden gebouwd op het zij- of achtererf;
  • b. de oppervlakte van carports mag maximaal 20 m² bedragen;
  • c. de bouwhoogte mag maximaal 3,00 meter bedragen;
  • d. de carport mag maximaal 2,50 meter voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw komen te liggen;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder d mag de afstand van 2,50 meter worden vergroot, mits voor de carport een ruimte van tenminste 3,00 meter op eigen terrein overblijft;
  • f. voor de voorgevellijn mogen geen tot de constructie behorende wanden liggen.
4.2.6 Erkers en dergelijke

Aan de bestaande hoofdbouw is het toegestaan om aan de voor- en/of zijgevel een aan- en/of uitbouw te realiseren met dien verstande dat:

  • a. deze mogelijkheid alleen bestaat voor ondergeschikte bouwdelen zoals erkers, ingangspartijen, overkappingen en hiermee gelijk te stellen bouwdelen;
  • b. deze aan- en/of uitbouw maximaal 1,00 meter diep mag zijn;
  • c. de uitbouw, gemeten vanaf de gevel van de bestaande woning, maximaal de helft van de breedte van de betreffende gevel mag beslaan.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen en bouwpercelen;
  • b. de aanleg en omvang van parkeergelegenheid;

indien zulks noodzakelijk is in verband met:

    • 1. de woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid, sociale veiligheid en brandveiligheid;
    • 4. de milieusituatie;
    • 5. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

4.4 Ontheffing van de bouwregels
4.4.1 Ontheffing maximale goothoogte

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.2onder f, in verband met het verhogen van de goothoogte tot maximaal 6 meter, met dien verstande dat:

  • a. dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is;
  • b. de gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden aangetast.
4.4.2 Ontheffing kap / dakhelling

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.2onder h, ten aanzien van de verplichte kap dan wel voor een kap met een afwijkende dakhelling, met dien verstande dat:

  • a. dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is;
  • b. de gebruiksmogelijkheden niet onevenredig worden aangetast.
4.4.3 Ontheffing bijgebouwen

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4.2.6onder b, met dien verstande dat:

  • a. de afmetingen van het oorspronkelijke toegangsportaal dit rechtvaardigt en deze grotere diepte een stedenbouwkundige dan wel architectonische meerwaarde heeft, dan wel;
  • b. aangetoond kan worden dat de grotere diepte voor een normaal gebruik noodzakelijk is.
4.4.4 Procedure

Bij het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid dient te worden voldaan aan de in artikel 11genoemde procedure.

4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening wordt in elk geval gerekend het gebruik:

  • a. voor opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  • b. van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
  • c. voor (detail)handel, behoudens de uitoefening van detailhandel in beperkte mate die verband houdt met de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf;
  • d. aan huis verbonden bedrijven;
  • e. uitoefening van een seksinrichting en/of (straat)prostitutie;
  • f. als smartshop, growshop of headshop;
  • g. van opstallen voor het telen, bewerken en verhandelen van soft- en harddrugs.
4.5.2 Aan huis verbonden beroepen

Een aan huis verbonden beroep is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. een aan huis verbonden beroep mag worden uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
  • b. het betreft maximaal 30% van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen, tot een maximum van 40 m² als zodanig mag worden gebruikt;
  • c. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast;
  • d. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • e. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving wordt niet onevenredig benadeeld;
  • f. detailhandel is slechts toegestaan voorzover deze beperkt blijft tot een beperkte verkoop in direct verband met het aan huis gebonden beroep.
4.6 Ontheffing van de gebruiksregels
4.6.1 Ontheffing aan huis verbonden bedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 4.5.1onder d ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf, met dien verstande dat:

  • a. wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4.5.2;
  • b. dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is;
  • c. vanuit milieuoogpunt aanvaardbaar;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.
4.6.2 Ontheffing mantelzorg

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 4.5.1 onder b ten behoeve van bewoning van een bijgebouw in het kader van mantelzorg indien:

  • a. er sprake is van een mantelzorgindicatie;
  • b. maximaal 70 m² van de bijgebouwen ten behoeve van mantelzorg wordt benut;
  • c. de mantelzorgvoorziening stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

Met dien verstande dat het gebruik wordt beëindigd indien er geen sprake meer is van behoefte aan mantelzorg.

4.6.3 Procedure

Bij het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid dient te worden voldaan aan de in artikel 11genoemde procedure.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Wonen' wijzigen door het verschuiven of vergroten van het bouwvlak binnen de bestemming, met dien verstande dat:

  • a. het op de verbeelding aangegeven bouwvlak met maximaal 10% mag worden vergroot;
  • b. dit niet leidt tot een vergroting van het aantal woningen;
  • c. dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld.