direct naar inhoud van Artikel 3 Horeca
Plan: Horsterweg 70b Castenray
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0984.BP09022-on01

Artikel 3 Horeca

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. uitsluitend op de begane grond: horecabedrijven, met dien verstande dat disco en dancings niet toegestaan zijn;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een burgerwoning toegestaan.

en de daarbij behorende:

  • c. gebouwen;
  • d. bijgebouwen;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. verhardingen;
  • g. groen- en parkeervoorzieningen;
  • h. voorzieningen van openbaar nut.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op de voor 'Horeca' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' moet het hoofdgebouw en mogen bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht;
  • b. het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is aangegeven;
  • d. het hoofdgebouw en de bedrijfswoning dienen te worden voorzien van een kap met een dakhelling van minimaal 30° en ten hoogste 65°;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag de inhoud van de bedrijfswoning maximaal 750 m³ bedragen.
3.2.3 Regels met betrekking tot bijgebouwen

Ten behoeve van de bedrijfswoning mag op het perceel, buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, maximaal 50 m² en indien het perceel gelegen achter de achtergevellijn voor niet meer dan 40% wordt bebouwd maximaal 70 m², aan bijgebouwen worden opgericht, met dien verstande dat:

  • a. de goothoogte max. 3 meter mag bedragen;
  • b. de nokhoogte max. 4,50 meter mag bedragen;
  • c. de dakhelling max. 45° mag bedragen.
3.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter, met dien verstande dat:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens mag maximaal 1 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2 meter bedragen.
  • b. de bouwhoogte van voorzieningen voor de openbare verlichting mag maximaal 8 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van antennes en antennemasten mag maximaal 12 meter bedragen;

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmeting van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  • b. de situering en afmeting van bouwpercelen;

indien zulks noodzakelijk is in verband met:

  • 1. de woonsituatie;
  • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 3. de verkeersveiligheid, sociale veiligheid en brandveiligheid;
  • 4. de milieusituatie;
  • 5. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
3.4 Ontheffing van de bouwregels
3.4.1 Ontheffing kap / dakhelling

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.2.2onder d, ten aanzien van de verplichte kap dan wel voor een kap met een afwijkende dakhelling, met dien verstande dat:

  • a. dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord is;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.
3.4.2 Procedure

Bij het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid dient te worden voldaan aan de in artikel 11genoemde procedure.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening wordt in elk geval gerekend het gebruik:

  • a. voor de uitoefening van een bedrijf, anders dan volgens het bepaalde in artikel 3.1 is toegestaan;
  • b. voor bewoning, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • c. voor opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  • d. voor (detail)handel;
  • e. als bedrijf;
  • f. uitoefening van een seksinrichting en/of (straat)prostitutie;
  • g. als smartshop, growshop of headshop;
  • h. van opstallen voor het telen, bewerken en verhandelen van soft- en harddrugs.
3.6 Ontheffing van de gebruiksregels
3.6.1 Ontheffing horecabedrijf

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.5onder d, ten behoeve van een horecabedrijf op de verdieping (tweede bouwlaag), onder de voorwaarde dat:

  • a. er een duidelijke ruimtelijke en functionele relatie is met het horecabedrijf op de begane grond;
  • b. gelet op de ligging, omvang en uitoefening geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan het woonmilieu;
  • c. de afwijking noodzakelijk is met het oog op een doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel. Dit betekent o.a. dat aangetoond is dat de uitbreidingsmogelijkheden op de begane grond volledig zijn benut.
3.6.2 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd om de bestemming 'Horeca' geheel of gedeeltelijk te wijzigen in de bestemming 'Wonen', 'Maatschappelijk' of 'Dienstverlening' onder de voorwaarden dat:

  • a. uit onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het betreffend gebruik;
  • b. indien voor de wijziging van de bestemming noodzakelijk, uit onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft geluid;
  • c. indien de betreffende locatie op de kaart “indicatieve archeologische waarden” van de provincie Limburg (1999) een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde kent dient voorafgaand aan nieuwe bouwontwikkelingen een archeologisch onderzoek te worden verricht om eventuele archeologische waarden in kaart te brengen;
  • d. de ontwikkeling niet valt binnen een stankcirkel van een agrarisch bedrijf;
  • e. de ontwikkeling de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven in de omgeving niet onevenredig belemmert;
  • f. de ontwikkeling de uitoefening van bestaande bedrijven en hun bedrijfsvoering niet onevenredig belemmert;
  • g. de ontwikkelingen passen in de omgeving en de parkeerbalans niet onevenredig wordt aangetast;
  • h. de woningen moeten passen binnen de regionale afspraken over verdeling van woningbouw;
  • i. de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast.